|
Naast de brandpuntafstand wordt een
objectief gekenmerkt door zijn lichtsterkte.
De lichtsterkte wordt aangeduid met een f/ en een getal dat gelijk is
aan de maximale diafragma-opening. De lichtsterkte geeft de verhouding weer tussen de
brandpuntafstand en de diameter van de lens (f/ = lengte(mm) / diameter(mm)
De genoemde diafragmawaarde bij een objectief is dus een
verhoudingsgetal en geeft de maximale grootte van de opening in het objectief aan dat
licht doorlaat.
Omdat de verhouding (één staat tot) bij het diafragma niet wordt
genoemd kan er verwarring ontstaan. Een objectief van f/2 is 8 maal lichtsterker dan een
van f/5.6. Hoe kleiner het f/ getal des te meer licht het objectief kan doorlaten en des
te lichtsterker het objectief is. De stappen tussen de diafragmawaarden worden ook wel
stops genoemd. Iedere stop is een factor 2 in de oppervlakte van de opening van de lens en
dus de helft of het dubbele van de doorgelaten hoeveelheid licht. Om de oppervlakte van
een cirkel te halveren moet men de diameter met een factor 1.4 (vierkantswortel van 2)
verkleinen.
Dit verklaart de reeks getallen die de grootte van het diafragma
aangeven.
Diafragma (f/x) |
1 |
1.4 |
2 |
2.8 |
4 |
5.6 |
8 |
11 |
16 |
22 |
Doorgelaten hoeveelheid licht |
100% |
50% |
25% |
12% |
6% |
3% |
1,5% |
0,75% |
0,37% |
0,17% |
Tabel 2
Diafragma en
percentage lichtdoorlaatbaarheid

Figuur 5
Diafragmareeks
Omdat de lichtsterkte een verhoudingsgetal is, betekent dit dat f/2.8
bij een 28 mm objectief aanzienlijk eenvoudiger is te verwezenlijken dan bij een
300 mm objectief. Bij een 28 mm objectief wordt f/2.8 al bereikt bij een opening
van 10 mm terwijl dit bij een 300 mm objectief meer dan 100 mm moet zijn. |