|
We beginnen met een korte beschrijving van het
fenomeen licht, vervolgens worden de kenmerken en bouw van het objectief beschreven en tot
slot wordt ingegaan op de bouw en werking van de camerabody en de manier waarop een beeld
de camera binnenkomt en wat er nodig is om het beeld te berekenen en vast te leggen op het
geheugenkaartje. De meeste van deze principes gaan op voor bijna alle digitale
fotocameras. Natuurlijk is er wel een verschil tussen compactcameras en
spiegelreflexcameras maar in grote lijnen komen de meeste onderwerpen die worden
besproken overeen.
Fotografie betekent schrijven met licht en is
afkomstig uit het Grieks.
Phootos betekent licht en graphein is schrijven.
Wat fotografie dus eigenlijk doet is het vastleggen van licht. Licht bestaat uit
elektromagnetische golven met verschillende golflengten.
Deze zijn deels
zichtbaar voor het menselijk oog en deels onzichtbaar. Iedere golflengte komt overeen met
een kleur. De combinatie van bepaalde golflengten noemen we een spectrum en dit bepaalt de
uiteindelijke kleur van het licht.
Licht kent een aantal
eigenschappen en de belangrijkste daarvan zijn:
licht wordt deel door stoffen geabsorbeerd
(doffe oppervlakken),
licht wordt door stoffen teruggekaatst,
licht breekt wanneer het een doorzichtige
stof raakt (glas, lucht, water etc.).
Teruggekaatst licht van een onderwerp dat
zichtbaar is voor het menselijk oog wordt gebruikt om vast te leggen als foto.

Figuur 1
Kleur-
en intensiteitgevoeligheid van onze ogen.
Wij zien het gehele spectrum als één soort licht
maar in principe zijn onze ogen maar gevoelig voor drie kleuren namelijk Rood, Groen en
Blauw (RGB) en verschillende grijswaarden. Omdat ons oog niet overal even gevoelig voor
is, zien we in het donker minder kleur en gaat het beeld over in grijswaarden.
Dit komt omdat de delen van het oog die
grijswaarden waarnemen (staafjes genaamd) veel gevoeliger zijn dan de delen die kleur
waarnemen (de kegeltjes).
Een deel van de kleuren in het spectrum van het
licht wordt zichtbaar voor het oog na ontleding door bijvoorbeeld een prisma of zoals
vaker voorkomt door watermoleculen in de lucht. Een mooi voorbeeld hiervan is de
regenboog.
Het beeld dat wij zien is dus weerkaatst licht van
een onderwerp dat door het oog wordt waargenomen. Het beeld (licht) komt via de pupil het
oog in en komt aan de achterkant van het oog terecht op de kegeltjes en staafjes. Deze
geven een signaal af aan de hersenen en daar wordt een compleet beeld samengesteld en
opgeslagen.

Figuur 2
Projectie in het oog
De verlichting die op het onderwerp valt kan zeer
divers zijn, van stralend zonlicht tot romantisch kaarslicht. Licht heeft niet alleen een
bepaalde intensiteit, maar bevindt zich ook in een bepaald deel van het spectrum. Voor
iedere soort licht is dit gebied verschillend. Iedere soort licht heeft een andere
kleurtemperatuur. De ene kleur wordt ervaren als warmer (oranje/rood) en een andere kleur
als koeler (blauw).

Figuur 3
Kleurtemperatuur
in Kelvin
Om kleur een waarde te kunnen geven is de
definitie kleurtemperatuur vastgelegd.
De kleurtemperatuur is de kleur die een onbrandbaar zwart object krijgt als je het verhit
tot een bepaalde temperatuur uitgedrukt in Kelvin (K). Zo heeft gemiddeld daglicht
ongeveer een kleurtemperatuur van 5500K en is een strak blauwe lucht al gauw 9000K. Dus
hoe hoger de kleurtemperatuur des te kouder de kleur is. Kaarslicht heeft een
kleurtemperatuur van ongeveer 2000K en komt als warm over. Om deze verschillen in kleur in
fotos te voorkomen hebben de camerafabrikanten een mogelijkheid aangebracht om de
witbalans in te stellen.
Een foto gemaakt bij het licht van gloeilampen
ziet er later enigszins wat oranje tot gelig uit, er ligt een kleurzweem overheen. Een
foto gemaakt in de sneeuw geeft juist een blauwe kleurzweem. Onze ogen zijn heel goed in
staat kleuren te corrigeren naar de juiste kleur maar de sensor legt vast wat hij echt
ziet. De kleur wordt door de sensor niet automatisch gecorrigeerd.
Een fotocamera werkt op
enigszins vergelijkbare wijze als het oog. Het beeld (licht) komt door het objectief via
het diafragma op de sensor en na verwerking van het beeld wordt het opgeslagen. Nu is een
camera iets minder geavanceerd dan de hersenen, waardoor er nog iets meer moet gebeuren.
De camera moet eerst scherpstellen op het onderwerp en vervolgens bepalen welke belichting
nodig is om een helder beeld te krijgen.
Gelukkig bevat de camera veel elektronica en
software die dit voor ons regelt. De belichting van de sensor bepaalt uiteindelijk hoe
helder het beeld wordt geregistreerd en vastgelegd. De belichting is een hoeveelheid licht
van een bepaalde intensiteit die gedurende een bepaalde tijd nodig is. De hoeveelheid
licht die op de sensor valt wordt bepaald door het diafragma in combinatie met de
sluitertijd.
Dit betekent dat als de intensiteit of de
belichtingstijd verdubbelt de belichting ook verdubbelt. Voor een dezelfde belichting zijn
dus verschillende combinaties van diafragma en sluitertijd mogelijk.

Figuur 4
Sluitertijd
- diafragmacombinaties
|