2.2.1.2
Creatieve standen
In de functietabel is te zien welke settings de camera standaard
instelt voor de genoemde programmas.
In de tabel worden de sluitertijd en het diafragma niet genoemd omdat
deze per opname verschillen, maar ook deze worden door de camera ingesteld.

Figuur 24
Beschikbare functies
Bij de voorkeurstanden P, Tv, Av en M kunnen conform de tabel de
instellingen allemaal zelf bepaald worden.
Dit geeft de fotograaf maximale vrijheid om zelf te bepalen hoe de
opname gemaakt gaat worden.
Programma
Deze stand werkt in grote lijnen hetzelfde als de volautomatische
stand, maar geeft meer vrijheid bij het bepalen en instellen van de belichtingsvariabelen.
De sluitertijd en het diafragma worden nog wel gekozen door de camera
aan de hand van de gemeten belichting maar in deze zijn als combinatie beïnvloedbaar.
Het is dus in deze stand mogelijk om scherptediepte of
bewegingsonscherpte te creëren door voor een bepaalde combinatie te kiezen.
In het geval dat er geen juiste belichting gemaakt kan worden, gaan
onderin het zoekerbeeld de sluitertijd en het diafragma knipperen.
Bij een lange sluitertijd en een groot diafragma duidt dit op
onderbelichting en bij een korte sluitertijd en een klein diafragma op overbelichting.
Sluitertijd
Deze stand geeft de mogelijkheid om handmatig een sluitertijd te
kiezen van 1/30 s tot 1/4000 s. De camera zal op basis van deze - en de overige
- instelling(en) het best bijbehorende diafragma kiezen.
Daarnaast heeft de fotograaf volledige
controle over de andere belichtingsvariabelen inclusief de belichtingscompensatie. Dit is
de ideale stand om controle over beweging in het beeld te krijgen
Indien het diafragmagetal in het zoekerbeeld knippert duidt dit op
een verkeerde belichting.
Een groot diafragma duidt op onderbelichting en een klein diafragma
op overbelichting
Diafragma

Bij de diafragmavoorkeurstand heeft de fotograaf volledige controle
over het diafragma en de camera bepaalt de daarbij behorende sluitertijd die voor een
correcte belichting kan zorgen.
En ook in deze stand kunnen de andere
belichtingsvariabelen naar eigen inzicht aangepast worden inclusief de
belichtingscompensatie.
Met deze stand is er een maximale controle
over de scherptediepte in de foto
Indien onder in het zoekerbeeld een lage sluitersnelheid knippert
duidt dit op onderbelichting en een hoge sluitersnelheid op overbelichting.

Figuur 25
scherptediepteknop
Het zoekerbeeld van de camera gebruikt
altijd het grootste diafragma. Pas bij de opname sluit het diafragma zich tot de
ingestelde waarde.
Om de scherptediepte van het beeld
zoals dit vastgelegd vooraf te kunnen beoordelen heeft de camera een scherptediepteknop.
Door deze scherptediepteknop in te drukken sluit het diafragma zich
tot de ingestelde waarde en kan het beeld door de zoeker beoordeeld worden.
Dit vergt enige concentratie want zodra het diafragma zich sluit komt
er nog maar heel weinig licht de camera binnen.
Het beeld lijkt zwart te worden, maar nadat het oog zich hierop heeft
ingesteld wordt het beeld vanzelf duidelijker.
Zolang de scherptediepteknop is ingedrukt is de belichting vastgezet
(AE-lock)
Handmatig
In deze stand zijn zowel de sluitertijd als het diafragma handmatig
instelbaar.
De sluitertijd kan in deze stand ook op B (Bulb) gezet worden.
In de B-stand wordt het openen en sluiten van de sluiter handmatig
bediend, sluitertijden tot 999 s zijn mogelijk.
Onderin het zoekerbeeld wordt aangegeven of de camera vindt dat er
onder- of overbelichting plaatsvindt en in welke mate.
Tot 2 stops wordt dit per halve stop aangegeven en daarboven zal het
belichtingsmerkteken gaan knipperen. De belichtingscompensatie zoals deze bij Tv en Av
beschikbaar is wordt hiermee vervangen.
Automatische scherptediepte
Deze stand is bedoeld voor het nemen van fotos van grote
groepen mensen, landschappen met veel detail in de voorgrond of ieder ander
diep onderwerp volledig scherp moet worden vastgelegd.
De camera bepaalt in deze stand de sluitertijd en het diafragma, de
overige instellingen kunnen wel aangepast worden.
In deze stand bepaalt de camera de optimale focusafstand met behulp
van het autofocussysteem.
De afstanden tot de elementen die vallen op de scherpstelpunten
worden gemeten, vervolgens worden dan de optimale focusafstand en het diafragma bepaald om
alle onderwerpen scherp vast te leggen.
Dit lijkt dus sterk op het fotograferen op basis van de hyperfocale
afstand. Waarbij ook gebruik gemaakt wordt van de combinatie focusafstand en
scherptediepte.
|