|
Werken met
flitslicht en een lichtmeter
Het werken met flitslicht heeft voordelen boven het werken met
continu licht.
Studioflitsers worden veel minder heet dan continue brandende lampen,
de lichtafgifte is beter te regel en de kleurtemperatuur is constant. Door de korte
flitsduur is het niet bezwaarlijk als het model niet 100% stilzit. De camera hoeft niet
meer op een statief en daardoor is er meer bewegingsvrijheid.
Het is echter wel lastig om een inschatting te maken hoe het licht
zal vallen en welke belichting nodig is voor een goed belichte foto.
Door de zeer korte flitsduur van 1/1500s of zelfs minder is de
sluitertijd als zodanig van weinig belang en wordt de belichting met behulp van het
diafragma gecontroleerd.
De synchronisatie snelheid (sync.
speed) is wel van belang omdat deze de maximale snelheid aangeeft waarop de sluiter
volledig open staat en de sensor in één keer goed belicht kan worden.
Wordt gebruik gemaakt van een sluitertijd korter dan de
synchronisatie snelheid zal het resultaat een gedeeltelijk onderbelichte of zelfs niet
belichtte foto zijn.
Het tweede sluitergordijn is dan namelijk al aan het sluiten en zal
geen licht meer op de sensor doorlaten.
Langzamere sluitertijden zijn geen probleem omdat de sluiter dan
altijd voldoende open staat als de flits afgaat.
Een ander belangrijk punt van het werken met flitser is dat de
kleurtemperatuur zo goed mogelijk gelijk is aan daglicht. De witbalans van de camera moet
op daglicht of op flitsen staan.
Camera lichtmeter
In de fotocamera zit een lichtmeter die het gereflecteerde licht van
een onderwerp meet en afhankelijk van de instelling van de belichtingsmeter een voorstel
doet voor een sluitertijd, diafragma gerelateerd aan de ISO-waarde.
Het licht kan door de camera veelal op verschillende manieren worden
gemeten zoals, integraal, gewogen gemiddeld en spotlichtmeting. Omdat de camera
gereflecteerd licht meet en dit naar een gemiddeld grijs probeert te herleiden is er een
verschil in de belichting van heldere en donkere onderwerpen die belicht worden met
dezelfde hoeveelheid licht.
Heldere partijen worden onderbelicht en donkere partijen overbelicht.
Wit wordt dus grijs maar zwart wordt ook grijs.
Bijvoorbeeld bij een model met blond haar, een bleke huidtint en
lichte kleding zal de lichtmeter in de camera het beeld onderbelichten.
In het geval van een donker model met donkere kleding zal de camera
het beeld onderbelichten.
In het geval van gereflecteerde meting zoals de camera dit doet is
het model of het materiaal van de kleding een factor van invloed.
Het is goed mogelijk om met behulp van de meter in de camera continue
licht te meten bijvoorbeeld van fotolampen.
Bij het gebruik van flitsers wordt het wat lastiger omdat de flits
alleen maar afgaat als er een foto wordt genomen en dan is het al te laat. Meerdere
fotos zijn noodzakelijk om een redelijke belichting te maken. Voor modelfotografie
is dit lastig, zeker als het model al aanwezig is.
Het gebruik van de lichtmeter in de camera is omslachtig en de juiste
belichting is moeilijk te bepalen.
Naarmate het aantal gebruikte flitsers toeneemt, neemt ook de
moeilijkheidsgraad om de correcte belichting te bepalen toe. Vaak is het dan een kwestie
van uitproberen om tot de juiste belichting te komen.

Het gebruik van een aparte flitslichtmeter is aan te raden omdat deze
het opvallende licht meet in plaats van het teruggekaatste licht.
Het opvallende licht meten is nauwkeuriger dan het gereflecteerde l
icht omdat het model en de kleding geen invloed hebben op de
lichtmeting. Met het gebruik van een aparte lichtmeter kan de lichtopbrengst van de
verschillende lichtbronnen beter op elkaar worden afgestemd.
Hierdoor wordt een betere en meer gewenste verlichting verkregen.
De standaard in (flits)lichtmeting wordt gezet door Sekonic. Deze
levert lichtmeters voor verschillende doeleinden.
De lichtmeters zijn soms uit te breiden met een draadloze module
waardoor de flitsers op afstand, door de lichtmeter, afgevuurd kunnen worden.
Lichtmeters kunnen ook prima omgevingslicht meten of een combinatie
tussen omgevingslicht en flitslicht.
Ook bij gebruik van (studio)flitsers is het aan te raden om gebruik
te maken van een aparte flitslichtmeter.
Deze meter leest de hoeveelheid licht die door de flitser wordt
afgegeven en geeft het te gebruiken diafragma nauwkeurig aan.
De belichting wordt bepaald door de intensiteit van het licht en de
afstand van het licht tot het model.
De positie van de camera is niet meer van belang. Hierdoor is de
interne lichtmeter van de camera dus ook minder geschikt om de belichting te bepalen.
Er wordt gebruik gemaakt van een "incident" lichtmeter die
te herkennen is aan de witte halfronde bol boven de lichtsensor van de meter.
Hierdoor kan de meter rondom, 180 graden, bepalen wat de correcte
belichting is.
Dit betekent wel dat de lichtmeter op de juiste plaats bij het model
moet worden gehouden.
De lichtmeter wordt daarom zo dichtbij mogelijk bij het model
gehouden en in de bol wijst in de richting van de camera. Als de bol richting het licht
wordt gericht dan zal de uitkomst zijn alsof het model recht in het licht kijkt en dit zal
een verkeerde belichting tot gevolg hebben. Als het model bijvoorbeeld 3/4 wordt belicht
dan moet ook de bol 3/4 worden belicht.
De lichtmeter kan de flitser met de synchronisatiekabel aansturen
maar het is eenvoudiger om gebruik te maken van een draadloos systeem. Hierbij is er geen
risico voor de fotograaf en het model om over de draden te struikelen of dat de kabel
ergens achter blijft hangen.
Het nadeel zijn de hogere kosten voor een draadloze oplossing.
Bij het gebruik van een aparte lichtmeter moeten de camera en
lichtmeterinstellingen op exact dezelfde wijze worden overgenomen.
Dus de ISO-waarde en gewenste sluitertijd wordt ingesteld en het
diafragma wordt gemeten door de lichtmeter.
De ISO-waarde, de sluitersnelheid en het diafragma worden eveneens
handmatig op de camera ingesteld.
Als de lichtmeter een niet gewenst diafragma aangeeft dan worden de
flitsers anders ingesteld.
Als vervolgens de flitsers correct zijn afgesteld met behulp van de
externe lichtmeter dan zullen alle opnamen in deze setting correct belicht worden.
Zodra een van de flitsers wordt verplaatst of gebruik wordt gemaakt
van een ander accessoire dan moet de belichting opnieuw worden bepaald.
De camera kan dezelfde instellingen behouden en met behulp van de
lichtmeter worden de flitsers opnieuw ingesteld.
Een van de fouten die veel gemaakt wordt is de camera op
(semi)automaat te laten staan. Bij het gebruik van studioflitsers resulteert dit in een
verkeerd belichtte foto. |