De basisprincipes van belichting worden door drie aspecten bepaald
ten eerste het lichtpatroon dat het onderwerp zijn basisvorm geeft.
Het tweede aspect is de afstand en maat van het licht hoever
en hoe groot moet het licht zijn ten opzicht ven het model.
En tot slot de diepte van het licht, het bepalen van de hoeveelheid
licht en waar de schaduwen (shadows) en
hooglichten (high lights) liggen.
Lichtpatronen zijn van essentieel belang om te leren hoe controle
over het licht te krijgen.
Het lichtpatroon vertelt iets over de plaats van het licht ten
opzichte van het onderwerp, waar komt het licht vandaan, en waar de hooglichten en de
schaduwen zijn.
Dit is van belang omdat in fotografie een driedimensionaal model
wordt overgebracht naar een twee dimensionaal plat vlak.
Met de juiste belichting wordt met behulp van hooglichten en
schaduwen de illusie van diepte in het beeld teruggebracht. Hooglichten trekken meer
aandacht en laten het beeld naar voren komen en schaduwen lijken verder weg.
De plaatsing van de lichtbron, waar het licht vandaan komt en hoe het
op het model valt is het meest belangrijke in portretfotografie en bepaald het beeld.
Het hoofdlicht staat in een bepaalde positie (hoek) ten opzichte van
het model. Een manier om te bepalen of deze hoek niet te groot is, is te kijken naar de
ogen van het model.
In beide ogen moet de weerspiegeling van de flitser te zien zijn.
Bij voorkeur op de elf of één uur positie, de hoogte van het
hoofdlicht wordt hierop afgesteld.
Er zijn 4 basis lichtpatronen waarop vervolgens gevarieerd kan
worden. |